Mijlpaal I Noordzijde
De Romeinse infrastructuur
Keizer Augustus (63 v. Chr. – 14 n. Chr.) bracht tijdens zijn regering een enorme troepenmacht langs de Rijn samen. Zijn opvolger keizer Tiberius (42 v. Chr. – 37 n. Chr.) versterkte die tot acht legioenen met ruitereenheden en dertig cohorten infanterie. Het gaat dan om ongeveer zestigduizend manschappen, die gevoed, bewapend en gehuisvest moesten worden. De Romeinen waren in hun tijd als geen ander in staat om dat soort ingewikkelde logistieke zaken goed te regelen. Ze bouwden binnen enkele eeuwen een infrastructuur waarmee ze een wereldrijk vestigden en lange tijd behielden.
Het Romeinse hoofdwegennet telde tachtigduizend kilometer aan verharde wegen en natuurlijk een veelvoud daarvan aan secundaire wegen. Daarover konden de legioenen snel verplaatst worden om bijvoorbeeld opstanden neer te slaan en om ze te voorzien van de nodige hulpmiddelen.
Daarnaast waren de Romeinen meesters in standaardisatie tot in het kleinste detail. Zelfs de toiletten waren gestandaardiseerd (afbeelding 1). Ze zien er overal in Europa hetzelfde uit. Alleen het aantal zitplaatsen varieert.
Afbeelding 1. Het Romeinse toilet in Vaison-la-Romaine (Frankrijk)
Wie door Europa reist langs restanten van het Romeinse Rijk ziet dat de aquaducten, de waterleidingen, de huizen en steden ook allemaal op dezelfde manier zijn gebouwd. Als de Romeinen een nieuwe kolonie of legerplaats ontwierpen, hoefden ze niet meer na te denken over de plattegrond (afbeelding 2). Die stond vast. Door een Romeinse stad en grote legerplaats liepen twee hoofdwegen, die loodrecht op elkaar stonden: de Decumanus Maximus, die oost-west georiënteerd was, en de Cardo Maximus, die van het noorden naar het zuiden liep. Op het kruispunt van die wegen stonden rond een groot plein dan meestal de tempels en de gebouwen voor het bestuur: het Forum. De zijwegen stonden zoveel mogelijk loodrecht op deze hoofdwegen, zodat de plattegrond eruitziet als een dambord.
Afbeelding 2. Het dambordpatroon van Romeins Trier (Bron: stilus.nl
De legionairs kregen een uniforme uitrusting en hadden gespecialiseerde centra waar de wapens voor de legioenen gemaakt werden. In Rome stonden bijvoorbeeld grote militaire werkplaatsen voor zwaarden, speren, harnassen en schilden. Bij legerplaatsen lagen vaak lokale werkplaatsen om de wapens te onderhouden en te repareren. Zo zijn in Alphen aan de Rijn, vlakbij het Romeinse castellum, gebouwen gevonden waarin metaal werd bewerkt. Vermoedelijk betreft het hier zo’n lokale werkplaats.
